Taal Actief 6 Thema 5 :Verkleinwoorden sml

Invuloefening


De meisjes maakten een voor de koningin . (buiging)
Het kleine glipte tussen de mazen van het net door. (haring)
Op het van die heuvel gledd hij met de slee naar beneden. (helling)
Het jarige meisje kreeg een van haar oma. (ketting)
In het paleisje woonde een . (koning)
De loodgieter moest het van vernieuwen. (leiding)
Op het van de kinderstoel was getekend. (leuning)
Bij de viskraam was een te koop. (paling)
De drie jongens zaten op het . (schutting)
In het woonde een oudere man. (woning)