Groep 6/7 Hoofdrekenen HW 10 rknpc

Vul steeds het goede antwoord in !
1. € 18,25 = 18 EURO + MUNTEN VAN 5 EUROCENT.
2. € 19,73 = 73 eurocenten + euro.
3. € 16,49 = 16 euro + 9 eurocent + munten van 10 eurocent
4. 1337 = 7 + 30 +
5. 1787 = 87 + 700 +
6. 72 : 12 - 5 = ( Tip : vermenigvuldigen en delen gaan voor optellen en aftrekken)
7. 104 munten van 5 eurocent=€
8. 3 X 13 + 7 X 13 =
9. 2 X 125 = 8 x 125=
10. 268 + 32 : 16 = ( Tip : delen komt voor optellen )
11. Jan heeft 240 knikkers. Hij verliest het derde deel van z'n knikkers. Hij houdt over knikkers.
12. April, juni en juli hebben samen dagen.
13. Iemand koopt 2 dozijn potloden á € 0,40 per potlood.
Hij moet betalen €
14. 1 potlood kost € 0,35. Voor € 3,85 kan ik potloden kopen.
15. 2 uur = minuten.
16. 104 dubbeltjes = €
17. 20 sigaren kosten € 9,20. ( reken uit: x 20 = 100)
Dan kosten 100 sigaren x € 9,20 = €
18. 25 sigaretten kosten € 2,25. (reken uit: x 25 = 100)
100 sigaretten kosten €
19. Op 1 liter benzine kan Vader met de auto 13 km rijden.
Op 10 liter benzine kan Vader met de auto km rijden.
Voor 260 km heeft Vader liter nodig.
20. 2 ons suiker kost € 0,32. 1 ons suiker kost € 1 pond suiker kost €