Hoofdrekenen taak 4: rknpc

Vul steeds het goede antwoord in !
1. 75 dm = 7 m + dm.
2. 175 cm = 1 m + dm + cm.
3. 807 cm = m + cm + dm.
4. 8 m + 7 dm = dm.
5. 3 dm + 12 m = dm.
6. 200 cm = m.
7. 1 pond kost € 2,00. (onthoud: 1 pond = 5 ons) Dan kost 1 ons €
8. 1 ons suiker kost 16 eurocent. (Onthoud 1 kilo = 10 ons) 1 kilo kost €
9. Een trein vertrekt om 5 min. vóór 11 en komt aan om half 12. De reis duurde minuten.
10. De bakker koopt 20 kg meel van € 0,75 per kg. (Reken eerst 10 kg uit: 10 x €0,75= € )
Hij moet betalen voor die 20 kg meel: €
11. 8 doosjes pennen van € 2,25 per stuk kosten samen €€
12. Jan spaart per maand € 2,-. Dat is per jaar € (één jaar heeft maanden)
13. Niels heeft in zijn spaarpot € 25,-.
Hij haalt er uit € 16,50. Hij heeft dan nog in zijn spaarpot €
14. 50 kilo aardappelen kosten € 50,50. 25 kilo kosten €
15. 10 eieren kosten € 2,40. 1 ei kost eurocent.
16. 1 pond kost € 3,50. 1 ons kost €
17. 2 ons kost € 0,80. 1 kilo kost € (Onthoud: 1 kilo = 10 ons)
18. 1 kg kaas kost € 10,-. 1 pond kost €
19. Jan spaart per week € 0,10.
Dat is per jaar €
20. 2 doosjes kauwgom van € 1,25 per stuk en 10 wijnballen van € 0,25 per stuk kosten samen €